Mag het een tandje meer, mijnheer Balkenende?

Churchill, de man die nota bene net het vrije democratische westen had gered, werd tijdens de verkiezingen van juli 1945 aan de dijk gezet. Het Britse volk, hoewel dankbaar voor zijn ferme leiding tijdens de oorlog, meende in meerderheid dat andere politici, dus niet Churchill, de vrede moesten organiseren. Churchill bleek een goede verliezer; in een speech in de House of Commons op 11 november 1947, sprak hij de volgende woorden: “Democracy is the worst form of government, expect for all those other forms that have been tried from time to time”. Met die uitspraak sloeg Churchill de spijker op zijn kop. Democratie is lang niet altijd verheffend.

De antidemocraat Bismarck hoefde je dat niet uit te leggen. “Parlementaire wetgeving is net als het maken van worsten. Je kunt er maar beter niet bij zijn”, merkte hij ooit eens op. Net zoals in worsten allerlei slachtafval wordt gepompt, zijn wetten vaak het product van intensieve onderhandelingen waarin zo goed en kwaad als het kan rekening wordt gehouden met allerlei deelbelangen. Geen wonder dat soms allerlei bloedeloze compromissen onbedoelde gevolgen sorteren. Toch bestaat er voor democratie, zoals Churchill schreef, geen alternatief. Een verlicht despoot is aardig zolang hij goede beslissingen neemt, maar dat is helaas niet altijd het geval en dat geldt helaas ook voor zijn nazaten. Heb je eenmaal een despotie, dan kom je er maar moeilijk vanaf.

Het aardige met de democratie is, dat kiezers via vreedzame weg andere mannen en vrouwen aan de macht kunnen helpen. Dat is buitengewoon aantrekkelijk, omdat elke ministerpresident na een tijdje een coterie van 200 mensen om zich heen verzameld, die een enorme invloed hebben op het beleid. In zekere zin is ons land dan gegijzeld door de veronderstellingen die al deze 200 mensen hebben. Indien zij bijvoorbeeld menen, dat de dreiging van een terroristische aanslag sterk wordt overdreven, dan hebben wij met zijn allen een groot veiligheidsprobleem. Nu zijn er mensen, zie bijvoorbeeld de bijdrage van een Maurice de Hond en Sophie in ’t Veld, die menen dat onze democratie te weinig rekening houdt met de opvattingen van de burgers. Ik ben het daar om twee redenen niet mee eens. In de eerste plaats verraadt dit standpunt een nogal optimistische kijk op de menselijke natuur. In de tweede plaats, gaan zowel Maurice de Hond als Sophie in 't Veld in het geheel niet in op de argumenten, die ten grondslag liggen aan onze vertegenwoordigende democratie.

Eerst maar eens die menselijke natuur: Zijn mensen altijd goed en verstandig? Je hoeft geen lange stadswandeling te maken, om te ontdekken dat niet iedereen zich verantwoordelijk gedraagt. Stel dat wij een referendum zouden houden over de vraag "Wilt u hogere lonen en lagere prijzen?". Ik vrees dat de meeste mensen de ja-knop zullen in drukken, terwijl enig nadenken het inzicht oplevert dat hogere lonen automatisch leiden tot hogere prijzen. Daarmee komen we automatisch bij de redenen waarom wij geen directe democratie hebben, maar een vertegenwoordigende. In de Griekse polis, de stadsstaat, was de schaal nog zo klein dat de Atheense burgers enig inzicht konden verwerven in de dilemma’s van het overheidsbestuur. In Nederland is de schaal veel groter. In ons land wonen veel meer burgers dan in de Griekse polis en is de geografische spreiding veel groter. Bovendien zijn ze niet altijd op alle gebieden deskundig en hebben zij meestal ook wel wat anders te doen. Daarboven is controle op een regering die tegenwoordig diep ingrijpt in de levens van burgers, buitengewoon complex. Om al deze redenen lijkt het mij verstandig om burgers te laten vertegenwoordigen door volksvertegenwoordigers.

Internetdemocratie is echt een vergissing. Het helpt ons van de regen in de drup. Wanneer de burgers met een druk op de knop gaan regeren hebben we pas echt een tirannie van de meerderheid. Gaan we echt jongens en meisjes naar Uruzgan sturen indien 51% van de Nederlanders daarvoor stemt? Het echte probleem is niet dat de burgers te weinig invloed hebben. Het echte probleem is dat volksvertegenwoordigers zich te vaak laten beïnvloeden door deelbelangen en door electoraal gewin. Indien Links wat minder zou luisteren naar milieuorganisaties en pacifistische clubjes en Wilders niet meer de suggestie wekt dat alle Moslims terroristen zijn, zouden we ons eindelijk eens bezig kunnen houden met de werkelijke uitdagingen van deze tijd zoals integratie en globalisering. Die problemen laten zich echt niet oplossen door een druk op de knop.

En ten slotte is er nog iets dat mij echt van het hart moet. Democratie kan alleen voortbestaan wanneer antidemocratische krachten stevig de kop worden ingedrukt. Burgers mogen antidemocratische overtuigingen hebben, maar zij mogen ons systeem niet ondermijnen. Haatzaaiende imams, gewelddadige neonazi’s en linksextremisten dienen keihard te worden aangepakt. Mag het een tandje meer, mijnheer Balkenende?

(Bron: Column Arend Jan Boekestijn bij VPRO De Ochtenden)