Anders dan de meeste landen had Nederland in de zeventiende eeuw geen koning en maar weinig adel. Nederland was - en is - een land van koopmannen en dominees.
In de Gouden Eeuw bepaalden voornamelijk koopmannen en dominees het politieke gezicht van Nederland. In andere landen hadden vorsten, adel en katholieke geestelijkheid veel invloed. De koning besloot daar vaak in zijn eentje wat er moest gebeuren. De situatie in Nederland was heel anders: daar was geen koning. Handelsbelangen (de koopmannen) en het calvinisme (de dominees) waren hier vaak doorslaggevend als het ging om beslissingen in het landsbelang.

Toch verschilden de koopmannen en de dominees onderling ook regelmatig van mening. Bijvoorbeeld tijdens de Nederlandse Opstand (ca. 1550-1650). De koopmannen waren voorstander van een wapenstilstand met Spanje: bij vrede zou de handel opbloeien. In 1609 kregen zij hun zin: de wapens werden neergelegd. Maar de dominees wilden de katholieke Spanjaarden voor altijd verdrijven. Hun geweten tegenover God, was belangrijker dan vrede. Zij kregen twaalf jaar later hun zin: toen kwam er een eind aan het bestand.
Maar vaak gingen koopman en dominee hand in hand. In de kolonie Nederlands-Indiƫ bijvoorbeeld (1600-1945). Daar konden beiden zich wijden aan hun taken, zonder elkaar in de weg te zitten. De dominee wilde de bevolking bekeren en de koopman kwam er om geld te verdienen.
Deze twee typisch Nederlandse karaktertrekken zijn nooit helemaal verdwenen. Nog steeds staan Nederlanders even bekend om hun handelsgeest als om hun geheven vingertje. Dat laatste slaat op de manier waarop Nederland andere landen graag de les leest. Of het nu gaat om het milieu of mensenrechten: gidsland Nederland weet hoe het hoort.
(Bron: Anno)
